Het is voor altijd weer spannend als er in Italië verkiezingen gehouden worden. De uitslag is nagenoeg onvoorspelbaar en hetzelfde geld voor de coalitievorming daarna. Dit keer is het niet anders. Er komt een regering, waarvan nagenoeg niemand de samenstelling op voorhand had durven bevroeden. Een links en een rechts populistische gaan samen aan de slag en hun plannen ogen op zijn zachtst gezegd wild. Zo hebben ze het voornemen om de overheidsbestedingen met pakweg € 100 miljard op te voeren.

Dat is ongeveer 6% van het huidige bruto binnenlands product en het land torst al een enorme staatsschuld van meer dan € 1,9 biljoen. Financiële markten reageerden not amused zoals uit onderstaande grafiek spreekt. Beleggers dumpten massaal hun Italiaans schuldpapier. Het is echter de vraag of beleggers niet te paniekerig reageren. Het antwoord mag een voorzichtig ‘Ja’ luiden. De Italiaanse obligatiemarkt heeft een aantal karakteristieken waardoor de kans dat het land niet aan zijn verplichtingen kan voldoen niet al te groot zijn. Een belangrijke karakteristiek is, dat de nationale schuld voor tweederde in Italiaanse handen is. Het gaat dan om banken en institutionele beleggers zoals pensioenfondsen en verzekeraars. Die zijn wat minder prijsgevoelig dan de internationale belegger en ze vormen een bijna onuitputtelijk reservoir voor vraag naar Italiaans schatkistpapier. Beleggers van buiten de eurozone hebben slechts 5,1% van de Italiaanse schuld in handen. Dat is het laagste percentage in twee decennia.

Er werd druk gehandeld op de Italiaanse obligatiemarkt na het publiek worden van de nieuwe regeringscombinatie en haar plannen. In de dagen daarna wisselden dagelijks obligaties van eigenaar met een gemiddelde waarde van € 16,7 miljard. Dat was het dubbele vergeleken met de maanden daarvoor. Dat klinkt behoorlijk flink, maar het nog geen 1% van de totale schuldenlast. Daar komt nog bij, dat de Europese Centrale Bank pakweg 15% van het Italiaan schuldenpapier in handen neemt. Dat forse percentage zal niet op de markt komen. Sinds de crisis van 2011 is er steeds meer papier weggehaald uit de private sector. Dat betekent in feite dat Italië minder schokgevoelig is geworden in de afgelopen jaren. Die schokgevoeligheid is nog verder afgenomen, omdat de Italianen de gemiddelde looptijd van
van het schuldpapier hebben verlengd. Dat betekent dat er jaarlijks minder papier komt te vervallen en er dus ook minder geherfinancierd hoeft te worden. De gemiddelde looptijd is nu bijna 7 jaar tegen 6,3 jaar in 2014. Daarmee is de structuur van de schuld verbeterd en derhalve ook de houdbaarheid, zeker in vergelijking met de moeilijke jaren 2011-2012.

Tot de partijen die zich bezorgd tonen over de gang van zaken in Italië behoort kredietbeoordelaar Fitch. Die wijst erop dat de publieke schuld nu al 132% van de BBP bedraagt. Dat is een serieus percentage. Toch hoeven beleggers niet bang te zijn dat de Italiaanse overheid niet in staat zal zijn om aan zijn verplichtingen te voldoen. Onder meer dankzij het kwantitatieve verruimingsprogramma van de ECB zijn kosten voor het voldoen aan de financiële verplichtingen omlaag gegaan. De rentelasten bedragen nu minder dan 4% van het BBP. Het land heeft bovendien al vijf jaar een overschot op de lopende rekening. Er is met andere woorden nog wel een beetje budgetruimte. Voor paniek lijkt het toch een beetje te vroeg!

Cor Wijtvliet is analist bij Today's Vermogensbeheer in Hilversum